| Antwoord | De term dysplasie in de borstpathologie wordt best niet meer gebruikt omdat het nogal verwarrend is. De term dysplasie bij borsten heeft niet de zelfde betekenis als bij bv baarmoederhalscytologie.Dysplasie wordt soms wel gebruikt in de radiologie en de mammografie om verschillende borsttypes aan te duiden. Eén van de klassificaties die veel gebruikt werd in de radiologie is de klassificatie van Wolfe. De indeling bevat 4 subtypes van radiografisch dens borstklierweefsel en deze zou beantwoorden aan een progressief toenemend risico voor borstkanker. Het probleem is echter dat op de klassieke mammografie (niet op NMR) er moeilijk onderscheid kan gemaakt worden tussen toename van bindweefselig stroma en klierweefsel en de toename van risico van borstkanker is bepaald door bepaalde epitheelproliferaties en niet door toename van het stroma. Soms gebruikt men ook de term dysplasie in een klinische betekenis van knobbelige pijnlijke hardere cystische borsten. Beter is hier de term fibrocystische ziekte, mastopathie van Reclus of fibrocystische veranderingen te gebruiken. Dit is een zeer frequente aandoening en afhankelijk van de criteria kan men deze aandoening tot in ongeveer de helft van de vrouwen vaststellen. Uiteraard kan dit dan naar kankerrisico toe geen goede voorspelbare waarde hebben. Wel bevat deze aandoening verhoogde kans op borstkanker naarmate er meer en atypische epitheelproliferaties zijn. Daarvoor moet er wel een weefselstukje bij de patholoog terecht komen en dit wegens één of andere reden, maar zeker niet om te weten in welke kategarie van goedaardige proliferaties men nu eigenlijk zit. Men deelt dan deze goedaardige epitheelproliferaties in volgens de criteria van Dupont en Page: - Niet proliferatief waaronder dan vallen de cysten, papillaire apocriene veranderingen, epitheel gerelateerde calcificaties en milde hyperplasie van het gewone type.
- Proliferatieve letsels zonder atypie met hierin matige tot floriede ductale hyperplasie van het gewone type, het intraductaal paplloma, de sclerosing adenosis en bepaalde fibroadenomata.
- Atypische hyperplasie en hier onderscheidt men de lobulaire en de ductale atypische hyperplasie.
De letsels in de eerste groep tonen een lichte toename van risico vooral wanneer er grote cysten zijn en er een familiale anmnese is. De vrouwen in de tweede groep kennen een lichte stijging van het risico in vergelijking met de eerste groep en ten slotte de laatste groep toont een nog hoger risico. Deze laatste groep wordt steeds groter sedert het invoeren van de mammografies. Het borstkankerrisico neemt af met de jaren die verstrijken na het vinden van deze bevindingen in de biopsie en zijn ook minder belangrijk bij vrouwen na de menopauze. Belangrijk blijft wel de al of niet familiale anamnese bij deze patiënten. |