| Antwoord | Men is er jarenlang van uitgegaan dat Tamoxifen een oestrogeenreceptor nodig had om zijn functie te kunnen uitoefenen. Dat leek een logisch verhaal: - oestrogeen stimuleert de groei van borstkankercellen;
- Tamoxifen bindt op de receptor van oestrogeen en maakt die inactief;
- nog aanwezig oestrogeen kan geen stimulatie van de groei van borstkankercellen meer geven.
Daarom werd een behandeling met Tamoxifen alleen voorbehouden voor die patiënten bij wie men oestrogeenreceptoren in de tumor had gevonden.
Toch bleek al vrij snel dat Tamoxifen ook een positief effect had bij patiënten bij wie men geen oestrogeenreceptor vond in de tumorcellen. Wanneer men onderzocht hoe dat kwam, bleken deze patiënten zonder oestrogeenreceptor een andere receptor te hebben namelijk voor progesteron (een belangrijk zwangerschapshormoon).
Daarom maakt men nu niet meer het onderscheid tussen oestrogeenreceptor-positieve en oestrogeenreceptor-negatieve patiënten bij het instellen van een behandeling met Tamoxifen, maar wordt er nu een onderscheid gemaakt tussen hormoonreceptor-positieve en hormoonreceptor-negatieve patiënten. In de praktijk betekent dit dat men gaat onderzoeken op het operatiestuk of er oestrogeen- OF progesteronreceptoren aanwezig zijn in de tumorcellen. Als 1 van beide receptoren in voldoende mate aanwezig is, kan men er van uitgaan dat Tamoxifen (ingenomen gedurende 5 jaar) een belangrijke verbetering met zich meebrengt van de kansen om definitief van de aandoening te genezen.
Besluit: Tamoxifen werkt bij hormoon-receptor positieve borstkanker. Bij afwezigheid van oestrogeenreceptor is de aanwezigheid van progesteronreceptoren een voldoende argument om Tamoxifen toe te dienen. |