| Antwoord | Er bestaat reeds vrij veel onderzoek dat aantoont dat het geven van borstvoeding wèl beschermt tegen borstkanker en dat dit effect sterker is bij vrouwen die als baby zelf borstvoeding kregen. Het gaat in die onderzoeken meestal om premenopauzale vormen van borstkanker. Overigens lijkt er ook een omgekeerd evenredig verband te bestaan met de totale lactatieduur van een vrouw (dus cumulatief van al haar kinderen) en de kans op kanker aan de inwendige vrouwelijke geslachtsorganen. Het probleem met de ongelijkheid of zelfs tegenstrijdigheid in de uitkomsten van onderzoeken naar de effecten van het al dan niet geven/krijgen van borstvoeding op de gezondheid van moeder en/of kind ligt vaak in een niet algemeen gebruikte definitie van borstvoeding. Voor veel onderzoekers geldt 'een baby die borstvoeding krijgt' als elk kind dat meer dan 1 slok bij zijn eigen moeder heeft gedronken. In de lactatiekunde kijkt men eerder naar de effecten van volledige, dat wil zeggen absoluut niet-aangevulde, borstvoeding gedurende 4 tot 6 maanden (zoals ook aanbevolen door de WHO, UNICEF en de Europese Unie). Meestal blijkt dat hoe meer (zuiverder) of hoe langer borstvoeding wordt gegeven/gekregen, hoe sterker de effecten. In enkele gevallen, blijkt echter het mengen van borstvoeding en kunstvoeding de slechtste optie te zijn. Recent is in dat verband een onderzoek gepubliceerd in The Lancet. Er bleek dat HIV het minst van moeder op kind wordt doorgegeven indien het kind uitsluitend borstvoeding krijgt en het meest indien het borstvoeding èn kunstvoedig krijgt. Het risico bij volledige kunstvoeding ligt ergens daartussenin. |