Het anatomo-pathologisch onderzoek van het tumorweefsel waarbij o.a. wordt vastgesteld om welk soort kanker het gaat, wordt uitgevoerd nadat de tumor is verwijderd.
Op basis van dit onderzoek weet men echter niet of de kanker zich heeft verspreid naar andere delen van het lichaam.
Het is noodzakelijk informatie over de eventuele verspreiding van de kanker te krijgen om de meest efficiënte behandelingsmethode te bepalen.
De verspreidingsinformatie speelt ook een rol bij het vaststellen van het stadium van de kanker en bijgevolg ook bij het maken van een prognose.
De organen in het lichaam waarnaar borstkanker zich vooral verspreidt (uitzaait) zijn:
Om de eventuele verspreiding vast te stellen, zullen er bijkomende onderzoeken moeten worden uitgevoerd, zoals bloedtesten en het maken van foto's van andere lichaamsdelen. Hieronder worden enkele van deze onderzoeken besproken.
Naast de bloedvaten, heeft het lichaam nog een ander vatensysteem, de zgn. lymfvaten.
In heel het lichaam wordt lymfe aangemaakt, een vocht zoals bloed maar dan zonder rode bloedcellen.
Dit lymfe wordt langs dunne kanaaltjes vervoerd naar de lymfknopen, die het vocht filteren en er alle schadelijke stoffen (zoals bacterieën) uit verwijderen, waarna ze het weer in de bloedsomloop brengen.
Als kankercellen zich hebben losgemaakt van de primaire tumor in de borst, komen ze vaak terecht in de lymfe en worden dan meegevoerd naar de lymfknopen.
Soms worden de kankercellen dan in de lymfknopen vernietigd, maar soms blijven ze leven en beginnen er te groeien: ze vormen dan een of meer nieuwe tumoren in de lymfknopen.
| Bij het bepalen van de prognose van de patiënt is het belangrijk te weten of de lymfknopen al dan niet zijn aangetast. Omdat de lymfe van de borst hoofdzakelijk naar de lymfknopen onder de oksel wordt vervoerd, zijn het precies die lymfknopen die op kwaadaardige cellen worden onderzocht. Als de kanker zich naar de lymfknopen heeft verspreid, weten we dat hij in staat is de lymfvaten te infiltreren en op een andere plaats dan de borst verder te groeien. Daaruit volgt dat de kans groter wordt dat de kanker ook bloedvaten kan infiltreren en zich naar andere delen van het lichaam verplaatsen. Lymfknopen zijn positief als ze kankercellen bevatten en negatief als dat niet zo is. | ![]() |
|
| Bron tekening: Luc Vakaet, UZ Gent |
Aantasting van de lymfknopen betekent echter niet noodzakelijk dat er ook uitzaaiingen zijn naar andere delen van het lichaam, sommige kankers kunnen immers wel groeien in de lymfknopen, maar niet in andere lichaamsdelen. Andere kankers kunnen dan weer wel de bloedsomloop infiltreren, zonder dat ze eerst in de lymfe terecht kwamen.
Meer informatie over de okseluitruiming als deel van de behandeling vindt u in het onderdeel Chirurgie.
| Foto: CT-scanner | ||
Een CT-scan of CAT-scan (Computerized Axial Tomography) maakt gebruikt van röntgenstralen en is een volledig pijnloos onderzoek. De CT scanner maakt vanuit verschillende hoeken vele beelden van het onderzochte lichaamsdeel.
Op basis van deze doorsneden kan de arts vervolgens zeer precies bepalen waar een eventuele tumor zich bevindt en hoe groot hij is.
Met behulp van een CT-scan kan worden vastgesteld of de organen waarin zich uitzaaiingen kunnen bevinden, door de kanker zijn aangetast. |
![]() |
|
| Bron foto: http://www.cancerhelp.org.uk WWW.CANCERHELP.ORG.UK |
| Foto: MR-scanner | ||
| MR, ook wel NMR of MRI (Magnetic Resonance Imaging) (zie ook "Diagnose") genoemd, is een techniek om met behulp van een sterke magneet en radiogolven afbeeldingen van organen te maken.
De MR-scan is net als de CT-scan pijnloos en heeft als bijkomend pluspunt dat het de patiënt niet blootstelt aan röntgenstralen. Het MR-onderzoek van de borsten heeft zijn grote nut bewezen in het opsporen van bepaalde tumortypes die met een mammografie moeilijk te vinden zijn. Een MR-onderzoek is volledig pijnloos en stelt de patiënt niet bloot aan röntgenstralen. Het onderzoek wordt echter niet op grote schaal toegepast als vervanger van de screening mammografie wegens zijn hoge kostprijs.
| ![]() |
|
| Bron foto: http://www.imaginiscorp.com IMAGINIS.NET |
Borstkanker kan zich verspreiden naar de botten. De efficiëntste manier om te ontdekken of er uitzaaiingen zijn in de botten is het uitvoeren van een nucleaire scan. Deze test wordt uitgevoerd als de tumor groot is of zich heeft verspreid naar de lymfknopen omdat dan de kans op andere uitzaaiingen groter is.
Vóór men een botscan kan uitvoeren, moet er een kleine hoeveelheid van een radioactieve stof worden ingespoten in een ader. Als de radioactieve stof is opgenomen door het skelet, concentreert ze zich in gebieden waar er een ongewone verhoging is van het aantal bloedvaten, een zgn. hot spot. Een hot spot kan eventueel duiden op een nieuwe haard van kankercellen.
Borstkanker kan zich ook verspreiden naar de lever. Als er een vermoeden is van uitzaaiingen in de lever, worden er bloedtesten uitgevoerd om te bepalen of de lever is aangetast.
Men bepaalt meestal ook de concentratie van een tumormerkstof (dit is een product dat door bepaalde kankercellen wordt aangemaakt) in het bloed. Een voorbeeld van een tumormerkstof is CA15.3.
Om te bepalen welke therapie het meest aangewezen is bij een bepaald geval van borstkanker, vertrouwen oncologen op een internationaal gestandaardiseerd systeem dat de kanker indeelt in een bepaald stadium ("staging").
Het stagingsysteem wordt het "TNM"-systeem genoemd. Dit systeem is gebaseerd op:
Als de TNM-waarden van een patiënt zijn vastgesteld, wordt deze informatie samengebundeld om het stadium van de kanker te bepalen. Het stadium wordt aangeduid met een Romeins cijfer gaande van Stadium 0 (het minst ernstige of vroegste stadium) tot Stadium IV (het ernstigste of meest gevorderde stadium).
Hierna worden alle stadia een voor een besproken.
Daarna volgt een gedetailleerde uitleg over de specifieke T, N, and M-categorieën en hoe ze worden gegroepeerd om een stadium te bepalen.
Ductaal carcinoma in situ (DCIS) is de vroegste vorm van ductale borstkanker. Bij DCIS bevinden zich enkel kankercellen in de melkgang.
Lobulair carcinoma in situ (LCIS), wordt soms ook geclassificeerd als een stadium 0 borstkanker, maar volgens vele oncologen gaat het hier niet om een echte borstkanker. Bij lobulair carcinoma in situ, groeien er abnormale cellen in de melkklieren, zonder zich buiten de grenzen van de melkklieren te verspreiden. De meeste onderzoekers gaan ervan uit dat LCIS zich in de meeste gevallen niet zal ontwikkelen tot een invasieve kanker, maar dat vrouwen met deze ziekte wel een verhoogd risico lopen om later een invasieve borstkanker te ontwikkelen in dezelfde of de andere borst. Deze latere kanker kan zowel van het invasief ductale als van het invasief lobulaire type zijn.
De diameter van de tumor is kleiner dan 2 cm en de kanker heeft zich niet verspreid buiten de borst.
De diameter van de tumor is groter dan 2 cm en/of de kanker heeft zich verspreid naar de lymfknopen in de oksel. Bij borstkanker in stadium II zitten de aangetaste lymfknopen niet aan elkaar vast, noch aan de omliggende structuren.
Stadium II wordt verder onderverdeeld in IIA en IIB.
De diameter van de tumor is groter dan 5 cm en/of heeft zich verspreid naar lymfknopen die aan elkaar of aan omliggende structuren vastzitten.
Borstkankers met om het even welke tumorgrootte die zich hebben verspreid naar de huid, de borstwand, of de inwendige lymfknopen van de borst (gesitueerd onder de borst en in de borstkas) worden ook ingedeeld in stadium III.
In geval van stadium III heeft de kanker zich nog niet verspreid naar andere organen, botten of lymfknopen die niet in de omgeving van de borst liggen.
Stadium III wordt verder onderverdeeld in IIIA en IIIB.
De kanker - van gelijk welke omvang - heeft zich uitgezaaid naar andere organen zoals de botten, longen of de lymfknopen die niet in de omgeving van de borst liggen (b.v. boven het sleutelbeen).
| TX |
| Primaire tumor kan niet worden vastgesteld. |
| T0 | ![]() |
Er is geen bewijs van een primaire tumor. |
| Tis |
| Ductaal carcinoma in situ, lobulair carcinoma in situ, of de ziekte van Paget zonder geassocieerde tumor in de borst. |
| T1mic |
| Micro-invasie met een diameter niet groter dan 0,1 cm. |
| T1a |
| De diameter van de tumor is kleiner dan 0,5 cm. |
| T1b |
| De diameter van de tumor is groter dan 0,5 cm en kleiner dan 1cm. |
| T1c |
| De diameter van de tumor is groter dan 1cm en kleiner dan 2 cm. |
| T2 |
| De diameter van de tumor is groter dan 2 cm, maar kleiner dan 5 cm. |
| T3 |
| De diameter van de tumor is groter dan 5 cm. |
| T4 |
| Een tumor van gelijk welke omvang met directe uitbreiding naar de borstwand of de huid. |
| NX |
| Er kan niet worden vastgesteld of de lymfknopen zijn aangetast (b.v. omdat ze vroeger reeds werden verwijderd). |
| N0 |
| Er is geen verspreiding naar de lymfknopen. |
| N1 |
| Er is verspreiding naar beweeglijke lymfknopen gelegen aan dezelfde kant als de borstkanker. |
| N2 |
| Er is verspreiding naar de lymfknopen aan dezelfde kant als de borstkanker waarbij de lymfknopen aan elkaar of aan andere structuren vastzitten. |
| N3 |
| Er is verspreiding naar de inwendige lymfknopen van de borst, gelokaliseerd onder borst en borstkas. |
| MX |
| Er kunnen geen uitzaaiingen naar andere organen worden vastgesteld. |
| M0 |
| Er zijn geen uitzaaiingen naar andere organen. |
| M1 |
| Er zijn uitzaaiingen naar andere organen (inclusief uitzaaiingen naar de lymfknopen boven het sleutelbeen). |
| Stadium | T-waarde | N-waarde | M-waarde |
| Stadium 0 | Tis | N0 | M0 |
| Stadium I | T1 | N0 | M0 |
| Stadium IIA | T0 | N1 | M0 |
| T1 | N1 | M0 | |
| T2 | N0 | M0 | |
| Stadium IIB | T2 | N1 | M0 |
| T3 | N0 | M0 | |
| Stadium IIIA | T0 | N2 | M0 |
| T1 | N2 | M0 | |
| T2 | N2 | M0 | |
| T3 | N1 | M0 | |
| T3 | N2 | M0 | |
| Stadium IIIB | T4 | Elke N | M0 |
| Stadium IIIC | Elke T | N3 | M0 |
| Stadium IV | Elke T | Elke N | M1 |
| Stadium | Overlevingspercentage |
| 0 | 100% |
| I | 100% |
| IIA | 92% |
| IIB | 81% |
| IIIA | 67% |
| IIIB | 54% |
| IV | 20% |
Dit percentage geeft aan hoeveel patiënten op 100 nog in leven zijn 5 jaar na het stellen van de diagnose.
Het geeft geen beeld van de individuele prognose van elke patiënt afzonderlijk.
Het houdt enkel rekening met de grootte van de tumor en de aanwezigheid van uitzaaiingen. Om een betere prognose te maken, zijn er ook nog een aantal andere belangrijke factoren, die hierna worden besproken.
De belangrijkste factoren om te voorspellen hoe een patiënt verder zal evolueren zijn:
Toch zijn dit niet de enige elementen die van belang zijn. Hieronder volgt een overzicht van andere prognostische factoren.
De groei van normale borstcellen wordt gecontroleerd door hormonen, vooral oestrogeen en progesteron. Deze hormonen doen hun werk door zich te bevestigen aan speciaal gereserveerde plaatsen in de cel: de zgn. "receptoren".
Als de borstkankercellen ook nog dergelijke gereserveerde plaatsen hebben, lijken ze wat dat betreft dus op de normale borstcellen. Deze kankercellen worden "oestrogeen-positief", "progesteron-positief" of in het algemeen "receptor-positief" genoemd.
Indien kankercellen receptor-positief zijn, kunnen ze bestreden worden met behulp van hormoontherapie, waarbij medicatie wordt toegediend die de werking van de hormonen blokkeert.
Indien kankercellen receptor-negatief zijn, reageren ze niet op hormoontherapie en heeft de toepassing ervan dus ook geen enkele zin.
Aanwezigheid van oestrogeen- en progesteron-receptoren is een gunstige prognostische factor.
Patiënten met receptor-positieve (oestrogeen en progesteron beiden positief) kankercellen hebben minder kans op terugkeer van de ziekte en hebben een betere overlevingskans, zelfs onafhankelijk van het feit of ze hormoontherapie krijgen of niet.
De verschillen in ziektevrije overleving bedragen zonder adjuvante therapie 3,8% na 7 jaar in de studie van Crowe (Breast Cancer Research and Treatment 1982; 2:171-176) ten voordele van de receptorpositieve tumoren.
Of het hier gaat om een effect van de receptorpositiviteit zelf of om het feit dat ER+/PR+ tumoren meestal beter gedifferentieerd zijn (laaggradiger) is een discussiepunt dat vermoedelijk niet direct zal opgelost worden. In elk geval scoort de differentiatiegraad als prognostische factor hoger dan de oestrogeen- en progesteronstatus.
Hoe meer een borstkankercel gelijkt op een normale borstcel, hoe beter de prognose voor de patiënt.
Pathologen kennen een differentiatiegraad toe die gebaseerd is op de gelijkenis van de kankercellen met normale borstcellen en op de snelheid waarmee ze vermoedelijk groeien.
Goed gedifferentieerde tumoren hebben een betere prognose.
| GX |
| De differentiatiegraad kan niet worden vastgesteld. |
| G1 |
| Goed gedifferentieerd, laaggradig. |
| G2 |
| Matig gedifferentieerd. |
| G3 |
| Weinig gedifferentieerd. |
| G4 |
| Niet gedifferentieerd of ongedifferentieerd, hooggradig. |
De meeste borstkankers zijn matig tot weinig gedifferentieerd.
Als cellen zich delen, gaan ze door een aantal stappen of fases. De S-fase is de fase waarin het DNA van de cel zich aan het kopiëren is en er dus een nieuwe identieke cel ontstaat. Als uit onderzoek blijkt dat vele cellen zich terzelfder tijd in deze S-fase bevinden hebben we waarschijnlijk te maken met een snelgroeiende tumor.
De verhoogde expressie van HER2 (dit is een receptor in de tumorcel die een groeifactor kan opvangen,
waardoor de tumorcel gestimuleerd wordt) is een factor die de prognose negatief beïnvloedt.
De aanwezigheid van dit antigen maakt behandeling mogelijk met HER2-antilichamen. Zie voor meer informatie hierover het hoofdstuk Herceptin.
Er bestaan verschillende prognostische modellen voor het opstellen van een prognose. Deze modellen zijn gebaseerd op studies, waarbij men heeft gekeken hoe verschillende patiënten verder evolueren, rekening houdend met hun diagnose.
De factoren waarmee een model rekening houdt, durven nogal eens van elkaar verschillen. Zo houdt het ene model rekening met de leeftijd bij diagnose, het andere model niet.
Adjuvant!: bedoeld voor medische professionals die zich eerst moeten registreren.
Bijkomende vragen van bezoekers |