| ||
Voorwoord© Phara de Aguirre
|
||
Er zijn twee soorten dagen. Dagen die ik wil onthouden en dagen die ik niet zal vergeten. 8 juni zal een van die laatste worden. Het was een donderdag, de zon scheen, de hemel was helder en ik genoot. Mooi restaurant, lekker eten, fijn gezelschap, onder wie Jan Decleir. Eind augustus zou ik hem een zomeravond lang interviewen in het kader van het Theaterfestival. "We mogen er toch zeker van zijn dat je 't zult doen?" vraagt de organisator. "Natuurlijk", zeg ik, "zo'n buitenkans. Ik zou moeten doodvallen om die aan mij voorbij te laten gaan."
Ik ben van m'n melk, maar de boodschappen moeten nog gedaan worden. Als een kip zonder kop loop ik van fruit en groenten naar droge voeding. Terwijl ik anders blindelings vind wat ik nodig heb, loop ik verloren en vergeet ik wat ik zoek. Nog niets zeggen tegen de kinderen, beslissen m'n man en ik, het zijn examens. De dagen die volgen, zijn vreemd. Mijn lijf voelt vreemd, thuis voelt vreemd, mijn werk voelt vreemd. Een fotograaf van Vacature komt langs, de afspraak was een week eerder gemaakt. De laatste foto's mét authentieke boezem, besef ik. Eindelijk is het dinsdag. In de wachtkamer zitten acht vrouwen. Een van hen breekt de stilte en steelt de show. "Die machines voor die mammo, dat is toch echt niet te doen. Met grote borsten doet dat misschien geen pijn, maar met de mijne ..." De tongen komen los, de een na de ander vertelt. Over knobbeltjes die cystes bleken te zijn, over een eerste operatie, een tweede, een derde, over pruiken, over goeie en slechte dokters ... en aan wie terugkomt van het onderzoek vragen we "hoe was 't?" En dan is het mijn beurt. "Ik ga de supervisor halen", zegt de jonge dokter na enkele minuten. De supervisor halen, het klinkt als "dit is miserie" in m'n oren. Met een punctie prikt de supervisor m'n laatste beetje hoop kapot. Zelden zo gelachen in een wachtkamer als toen, zelden zo gehuild op een consultatie als toen. Als ik bij de dokter buiten kom, zitten er nog twee vrouwen in de wachtzaal. "Hoe was het?" vragen ze me. M'n mond zegt niets, m'n ogen zeggen alles. Ik meld me ziek op het werk. De thesis van Freya, de beheersovereenkomst, de gemeenteraadsverkiezingen, het kan me allemaal gestolen worden. Ik bel met zussen, vriendinnen, m'n baas. Ze kunnen het niet geloven, ze hadden toch niets gezien aan mij? Schijn bedriegt, borstkanker ook. Drie dagen later heb ik een afspraak in de dagkliniek oncologie en opnieuw hoor ik klare taal. "Het is borstkanker, mevrouw." Daar was ik op voorbereid. "En uw borst moet weg." Daar was ik niet op voorbereid. De dokter legt uit, geeft antwoord, maar vraag me niet wat hij allemaal gezegd heeft. M'n gevoelens zaten voor m'n oren. En dan gaat het snel. Lever, longen en bot moeten onderzocht worden. In de gangen van het ziekenhuis loop ik voetballer Bob Peeters tegen het lijf. We kruisten mekaar wel eens in de schminkkamer van de VRT, ik op weg naar een "korte Terzake", hij op weg naar de Champions League.
's Avonds vertellen we het aan de drie oudsten. Wachten tot na de examens kunnen we niet. Het laatste wat ik wil, is dat ze het van anderen horen. Ze huilen, alle drie. "Het is te veel, mama." Met de jongste van acht wil ik nog even wachten. Maar tijdens een van de vele telefoons die ik doe, merk ik niet dat hij achter me staat.
Na het weekend krijg ik het wel gezegd. Ik wil niet langer ziek zijn zonder uitleg. "Zou je niet eerst zorgen dat je geneest en dan pas zeggen dat het borstkanker was", oppert mijn zus. Ik zie niet in waarom. Borstkanker is geen schande, ik heb geen oneerbare dingen gedaan met m'n borsten. Ik weet zelfs niet wat ik gedaan heb om dit te krijgen.
Ik betrap mezelf op de boezemblik, iets waar sommige heren zeer bedreven in zijn. Overal waar ik ga of sta, gluur ik naar boezems en in decolletés. Prachtexemplaren lopen er rond, met opwindende gleufjes tussen links en rechts. De plastisch chirurg verzekert me dat de mijne ook terug in orde komt. Ieder jaar reconstrueert hij 120 borsten, met een prothese of met weefsel uit de buik. Cut and paste. Borstenbouwer, een vak apart. Met het oog van de kenner, keurt hij m'n buik. "Daar kom ik mee toe", zegt hij. Ik regel wat er nog te regelen valt. Ik doe supergrote boodschappen en bergen strijk. Mijn dochter kijkt toe.
Een week na de operatie mag ik naar huis. Ik moet me oefenen in zien gebeuren en laten gebeuren. Ik voel het contrast tussen het drukke leven van man, vrienden en familie en mijn eigen gedwongen zetelbestaan. Het is zoeken naar een nieuw evenwicht. Alles ligt overhoop. De taakverdeling in huis, de vakantieplanning, tot en met het bedritueel van de jongste. In de chaos botsen we en struikelen we. Ook in mezelf ligt een en ander overhoop. Overdag hang ik de held uit, 's avonds ben ik een brok ellende. Chemotherapie, bestralingen, Herceptine, hormoontherapie. Het ene moment voelt het als een berg die me moedeloos maakt, het andere moment prijs ik me gelukkig dat de berg er is. Geweldige gezondheidszorg in dit land, weet ik voor eens en voor altijd. Maar de vragen knagen. Wie zal ik zijn als ik over die berg heen ben? Wie zal ik niet meer zijn? In de weekendkrant zie ik een foto van Frieda Joris, samen met Helmut Lotti. Sorry Frieda, ik heb gegluurd. Je boezem ziet er geweldig uit, je buik ook. En interviewen en schrijven kun je nog als de beste. Borstkanker is een ramp, maar het is het einde van de wereld niet. Jij bewijst het, ook met dit boek. |
||