De Noren zijn gek© Nancy Wauters |
|
| Wat voorafging ...
Op zondag 10 september 2007 vertrek ik vol enthousiasme samen met een collega naar Oslo voor een vijfdaagse cursus. Het is twee weken voor mijn wel zeer late zomervakantie en ik zal er nog eens goed invliegen.
Wel nog fragmenten van de periode erna, zoals de flard waarin ik in een ambulance word geschoven, terwijl mijn collega zegt dat hij mee zal rijden, terwijl ik me afvraag waarom we ons beiden naar het ziekenhuis dienen te begeven.
Van de aankomst en opname in het ziekenhuis herinner ik me niets, ook al toont een door mezelf ingevuld formulier me nu dat ik er wel degelijk bij moet zijn geweest. Het eerste echt heel bewuste moment dat ik me weer voor de geest kan halen is het bezoek van de plaatselijke neuroloog die er niet omheen wenst te draaien en onmiddellijk oppert dat ik vast zelf wel al de link heb gelegd met mijn borstkankergeschiedenis (daarvan weet hij al omdat ik altijd een kaartje bij me draag dat waarschuwt geen injecties te geven in de rechterarm). Het is alsof ik een enorme dreun krijg, recht in mijn gezicht. Want, neen, ik heb zelf helemaal de link nog niet gelegd met mijn borstkankergeschiedenis. En het laatste wat die dokter moet komen doen, is de link voor me leggen. Door de alom bekende slagzin “Niet zo gek” weten we allemaal dat die Zweden best wel intelligente wezens zijn, maar het wordt me direct overduidelijk dat hetzelfde niet kan worden gezegd van hun buren de Noren. Zij zijn het in elk geval wel, knettergek als je het mij vraagt. Ik ga dus quasi onmiddellijk in ontkenning.
Ik onderbouw mijn ontkenning met mijn kennis.
Intussen is ook het thuisfront zich wezenloos geschrokken. Dank zij mijn collega wordt iedereen die het moet weten vrij snel op de hoogte gebracht en kan ik een kort gesprek hebben met mijn moeder. Zij heeft ook al de link gelegd met mijn borstkankergeschiedenis. Ik kan het niet geloven en doe mijn best haar van het tegendeel te overtuigen, maar ik hoor de ongerustheid in haar stem. De Noren mogen dan in mijn opinie knettergek zijn, ze weten wel hoe ze hun patiënten moeten in de watten leggen. De kamer waarin ik ben ondergebracht is een observatiekamer. Via een raampje kunnen de verpleegkundigen in de gaten houden of ik geen nieuwe aanval krijg. Af en toe word ik vrolijk toegezwaaid vanuit de belendende “controlekamer”. Ook heb ik het rijk voor mij alleen omdat men elke patiënt die niet uit Scandinavië komt, ziet als een potentiële drager van de ziekenhuisbacterie (MRSA) die apart moet worden gehouden en benaderd met mondmasker, schort en handschoenen om. Maar ondanks die enigszins onpersoonlijk aandoende outfit, zijn de verplegers en verpleegsters stuk voor stuk vriendelijke mensen die zich steeds voorstellen, vloeiend Engels spreken en soms extra tijd maken voor een praatje met hun eenzame Belgische patiënt (pas op de laatste dag van mijn verblijf weet ik dat ik geen MRSA heb en mag ik me vrij in het gigantische ziekenhuis bewegen). Ook het medisch-technische gedeelte van mijn verzorging gaat bijzonder efficiënt in zijn werk.
Straks zullen beeldopnamen zwart op wit aantonen wat er aan de hand is in mijn hersenpan. |
|