Een drieling in de longen© Nancy Wauters |
|
| Wat voorafging ...
Dinsdag ben ik aan het ontbijten als de internist-oncoloog weer op bezoek komt. In zijn kielzog twee verpleegkundigen van de afdeling. Hij gaat min of meer achter me staan waardoor ik me moet omdraaien om hem goed te kunnen aankijken. Wat ik niet voor denkbaar heb gehouden komt eruit: ik heb ook uitzaaiingen in de longen. Het is een drieling, eentje rechts en twee links. Maar een proficiat is hier allerminst op zijn plaats. Voor het eerst sinds het allemaal begon, zinkt de moed mij helemaal in de schoenen. Ik vraag hoe lang ik er nog zal zijn. Hij antwoordt dat het zo een vaart niet zal lopen en dat het licht nog lang niet uit is, waarop ik repliceer dat mijn licht op dit eigenste moment wel degelijk uit is. Veel meer valt er op dit moment niet te zeggen. Ik klap zo een beetje dicht, de dokter ook en na een drukkende stilte laten ze me alleen. Ik ga me wassen in de badkamer en kruip doodongelukkig opnieuw in bed. Hoe moet ik dit straks nu weer aan mijn familie gaan vertellen? In de namiddag krijg ik onder meer bezoek van een heel goede vriendin die ook borstkankerpatiënte is. Ze komt net aan als ik naar de botscan moet vertrekken. Ze is helemaal ondersteboven van de bijkomende diagnose en gaat met me mee naar de wachtkamer van nucleaire geneeskunde.
Als ik in de botscanner lig, kan ik niet anders dan hopen dat hier niets meer gevonden wordt. Na de eerste volledige scan, komt de verpleger vragen of ik ooit een beenbreuk heb gehad. Het antwoord is neen en mijn inwendig paniekniveau schiet omhoog. Ik moet nog blijven liggen, want er worden bijkomende beelden van mijn been genomen.
De algemene stemming op mijn kamer is vandaag neerslachtiger dan de voorbije 2 dagen. Iedereen is aangeslagen door de bijkomende diagnose.
Tot ik helemaal gek lijk te worden als ik in de kamer arriveer. De dame waarmee ik de kamer moet delen zit te roken in de badkamer
en probeert dat te verdoezelen door wat onhandig wapperen met de handen. Dat is de spreekwoordelijke druppel, ik zit op het bed en enkele familieleden gaan naar buiten en proberen de verpleegkundigen te overtuigen dat deze situatie toch wel het dagdagelijkse overstijgt en vragen om een uitzondering. Ze komen terug zonder resultaat. Ik kan het niet accepteren en zoek tot ik de hoofdverpleegkundige vind en smeek
me terug te sturen naar mijn vorige kamer. Ik wil op dit moment enkel met bekenden of alleen zijn.
's Avonds komt mijn behandelende oncoloog nog eens langs. Op zondag na, is er nog geen dag voorbij gegaan zonder dat ik bezoek van haar kreeg.
Wonder boven wonder lukt het me die nacht toch om te slapen, ook al lig ik wellicht lichtgevend als een buitenaards wezen in mijn bed, aangezien mijn voorhoofd is volgeplakt met groene plastic dingen die de neurochirurg de volgende dag moeten helpen om heel precies de plaats van de tumor te bepalen. |
|