|
Wat voorafging ...
Op maandag 9 november verlaat ik omstreeks 14 uur het ziekenhuis. Ik geef twee doosjes pralines af aan de mensen van de verpleging. Ik vind dat ze de voorbije dagen heel goed voor me hebben gezorgd en dat mag je best wel tonen vind ik.
Thuis gaat het eigenlijk vrij goed. Er komt vrijwel elke dag iemand op bezoek en ook de telefoon staat niet zoveel stil. Elk woord, elk gebaar van steun dat ik in deze periode krijg, doet mij heel veel deugd. Veel mensen realiseren zich wellicht niet hoeveel je er als patiënt aan hebt dat men bekommerd om je is.
Ik kan in deze periode vrij goed omgaan met mijn ziekte. Ik begin er heel veel over te lezen, en zit bijna constant op het Internet op zoek naar documentatie. En ik vind veel, heel veel, al is het bijna allemaal in het Engels. Na een tijdje weet ik alles af van de verschillende soorten borstkanker, de mogelijke behandelingen, de prognose, enz. En ook van telefoonrekeningen. In het pre-ADSL tijdperk loopt mijn telefoonrekening soms op tot 12.000 frank (300 €).
Op vrijdag 13 november - kan je nog een ongelukkiger combinatie bedenken - moet ik op wondcontrole bij de chirurg. Vandaag krijg ik ook te horen hoe de lymfeklieren er aan toe waren en de tijd die ik in de wachtkamer doorbreng, gaat tergend traag voorbij.
De consultatie gaat door in een operatiekamer. Misschien doen ze dat om de kans op infecties te verkleinen, want het in zo'n kamer vrij fris. Als het eindelijk mijn beurt is, kan ik voor de zoveelste (en helaas niet voor de laatste) maal "het bovenlichaam vrij maken" en op een bedje gaan liggen. Het baart me onmiddellijk zorgen dat de dokter mij niet uitgelaten begroet met de mededeling dat de lymfeklieren zonder uitzaaiingen waren. Hij wenst me wel heel joviaal goedemorgen, maar heeft het dan dadelijk over de mooie genezing van de wonde. Ik stel hem dan maar zelf de vraag en krijg te horen dat er helaas één lymfeklier was aangetast. Hij zegt dat hij zelf heel verbaasd was over dit feit, hij had voordien nog nooit een gezwel van 6 mm gezien dat al naar de lymfeklieren was uitgezaaid, maar daar heb ik weinig aan. Hij zegt dat dit betekent dat ik voor de rest van mijn leven onder medische controle zal moeten blijven, maar dat ik er toch positief tegenover moet staan vermits er nergens anders uitzaaiingen te zien zijn.
Ik vraag hem welke zekerheden hij heeft over hoe ik er over zes maanden of een jaar aan toe zal zijn. Hij vindt deze vraag naar mijn toekomst heel terecht en zegt dat men via radio- en chemotherapie er alles zal aan doen opdat ik nooit nog te maken krijg met terugkeer of uitzaaiingen, maar zekerheden kan niemand daarover geven.
Ik moet ook nog even tonen hoe ver ik gevorderd ben met het bewegen van mijn rechterarm. Alhoewel hij lichtelijk tevreden schijnt, krijg ik toch de mededeling dat het de volgende keer beter moet of dat hij "er zich anders eens zal opzetten". Zo neergeschreven klinkt het cru, maar de brutale, kwajongensachtige taal van deze dokter doet mij toch alweer even lachen.
Als ik weer in de ziekenhuisgangen loop , begin ik te huilen. Ergens had ik mijzelf blijkbaar wijsgemaakt dat de lymfeklieren niet zouden zijn aangetast, ik heb het moeilijk om het tegendeel te aanvaarden. Bovendien jaagt ook het vooruitzicht van de chemotherapie mij angst aan.
's Avonds krijgen zowel mijn ouders als ik veel telefoontjes van mensen die willen weten hoe het met de lymfeklieren is afgelopen.
Iedereen die niet rechtstreeks naar mij durft te bellen, belt naar mijn ouders. Vorig jaar deed zich net het omgekeerde voor.
Op vrijdag 20 november wordt er een mooi boeket afgeleverd vanwege de collega's waarmee ik het voorbije jaar vaak mee heb samengewerkt en het doet me heel veel plezier deze bloemen te krijgen.
Die dag ga ik voor het eerst weer eens naar huis op spaghetti te eten. Het is al jarenlang mijn gewoonte om elke vrijdagavond thuis de lekkere spaghetti van "la mama" te gaan eten.
's Avonds komt mijn nicht Kathy op bezoek. We hebben het over onze lievelingssporten squash en badminton. Sinds ik ziek ben is ze gestopt met badminton, maar ze gaat nog steeds regelmatig squashen. Ze voorspelt een smadelijke nederlaag voor mij als we weer tegenover elkaar zullen staan. Ik vrees dat ze wel eens gelijk zou kunnen krijgen.
Als mijn behandeling achter de rug zal zijn, trakteert ze mij op een fles echte champagne. Ik zeg dat ik dan toastjes zal klaarmaken: brie in hesp is volgens haar fantastisch lekker. Ik zeg dat die er zeker zullen bijzijn.
Op zondag 22 november ben ik er plotseling van overtuigd dat ik uitzaaiingen heb in mijn hersenen.
Ze zijn de enige plek die nog niet gecontroleerd werden en net daar heb ik het natuurlijk gekregen, zo denk ik althans.
Als klein kind kreeg ik ooit een baksteen tegen mijn hoofd. Mijn grootvader vond het gooien met bakstenen de beste manier om peren uit een pereboom te verwijderen
en had niet gemerkt dat zijn oudste kleindochter - ik dus - ook wel even wou genieten van het schouwspel en achter hem aan de boomgaard was ingelopen.
Toen hij het wel merkte was het al te laat want dan had ik al een van zijn wapens tegen mijn hoofd gekregen en zat huilend in het gras.
Aan dat ongeval heb ik een voelbaar litteken overgehouden aan de rechterkant van mijn hoofd en sinds vorige zomer voel ik dit af en toe zelfs als ik het helemaal niet aanraak.
Ik neem nog maar eens de medische encyclopedie ter hand en lees dat een van de symptomen van hersentumoren een stuwing in de pupil kan zijn.
Een jammerlijk toeval wil dat ik net vandaag een vreemde trekking in mijn rechteroog heb en de zelfdiagnose is alweer vrij snel gesteld.
Als ik eindelijk besluit te gaan slapen, lig ik nog een hele tijd te piekeren. Voor het eerst maakt het voornemen zich van mij meester dat ik eens moet ophouden met tobben over dingen die nog helemaal niet zeker zijn. Vrijdag moet ik naar de dokter, ik zal dan eens vragen of er een controle kan gebeuren op uitzaaiingen in mijn hersenen.
Op dinsdag 24 november breng ik voor het eerst weer een bezoek aan mijn grootmoeder. Onder invloed van een voor mij moeilijk te begrijpen denkproces is ze tot de conclusie gekomen dat het bezoek dat haar schoonbroer en schoonzus mij wensen te brengen beter bij haar kan doorgaan. Tante Godelieve en nonkel Oscar (tante en oom van mijn vader) hadden in haar bijzijn het idee geopperd dat ze me eens zouden bezoeken. Dit idee volstond voor mijn grootmoeder om een ingewikkeld scenario te bedenken waarbij wij ons alle drie op hetzelfde ogenblik als bezoeker bij haar dienden aan te melden om aldus op geheel automatische wijze met elkaar in contact te komen.
De conversatie met deze verre oom en tante verloopt wat stroef. We kennen elkaar eigenlijk helemaal niet en het aanhoudende gebabbel van mijn welmenende meter verhindert eigenlijk dat we met elkaar praten. Bovendien is ook mijn tante Hilda van de partij en al gauw geraak ik met haar aan de praat en zitten we samen haar huiswerk Engels op te lossen. Voor ik het weet zijn oom en tante weer verdwenen en neemt ook tante Hilda afscheid.
Ik besluit nog wat te blijven als mijn neef Hans binnenkomt. Hij is drie jaar jonger dan ik, maar we hebben - behalve als kleine kinderen - nooit veel contact met elkaar gehad. Sinds onze ziektes hebben we echter iets dat ons bindt en vind ik het veel gemakkelijker om met hem een conversatie aan de gang te houden. We zijn nu brothers in arms door onze gemeenschappelijke vijand die kanker heet. Mijn neef werd zes maanden geleden geopereerd aan een snel groeiende vorm van mondkanker, maar stelt het momenteel nogal goed. Ik heb de indruk dat hij veel meer dan ik afstand kan nemen van wat hem overkomt en wat hem eventueel nog te wachten staat. Als ik hem vraag wanneer hij zijn longcontrole moet ondergaan, kan hij me dit zelfs niet vertellen. Bij mij wordt elke toekomstige datum van doktersvisite prompt in mijn hersenen gegrift.
Hij vertelt dat hij en zijn vrouw erover denken hun huis weer te verkopen en te gaan huren. Mijn grootmoeder reageert geshockeerd en ik bedenk hoe hard de wereld is voor mensen die met een ziekte als kanker te maken krijgen. Tot voor een paar weken liep ik ook nog rond met reële aankoopplannen voor een appartement. Nu kan ik de eerstvolgende jaren het aangaan van een hypothecaire lening wel vergeten. Verzekeringsmaatschappijen vinden mensen met een ernstige ziekte immers een te groot risico om bijvoorbeeld een schuldsaldoverzekering te geven en zonder verzekering krijg je natuurlijk ook geen lening.
Om halfzeven bel ik naar mijn ouders om te horen of de radiotherapeut al heeft gebeld met meer nieuws over de therapie die mijn vader moet ondergaan. Ze hebben nog niets gehoord, maar misschien heeft ze wel gebeld tijdens het anderhalf uur dat er niemand thuis was. Ik spreek af dat ik morgen in de voormiddag eens langs zal komen om meer nieuws te vernemen.
De volgende dag belt mijn moeder 's ochtends om te zeggen dat ze in de voormiddag naar de supermarkt gaat en dat ik 's middags eventueel kan komen eten. De dokter heeft gebeld om te zeggen dat mijn vader zondagavond "eventjes" moet worden opgenomen. Mijn moeder heeft niet gevraagd waarom dit eigenlijk nodig is, ze heeft het maximum aan slecht nieuws dat een mens kan verwerken blijkbaar bereikt en weigert zelf nog vragen te stellen.
Op donderdag 26 november komt Gerda langs. Zij vraagt welke dokter mijn mammografie heeft uitgevoerd. Een vriendin-huisarts heeft haar namelijk verteld dat in het OLV-ziekenhuis van Aalst een specialist op dat vlak praktizeert. Het blijkt om de dokter te gaan die mijn onderzoeken uitvoerde.
Ik vind het prachtig om uit een onverdachte bron te horen te krijgen dat de radioloog toch wel een naam heeft als specialist. Ik ben namelijk nog altijd niet helemaal overtuigd van zijn steunweefsel-diagnose en elk stukje informatie dat mijn vertrouwen in hem kan vergroten is van harte welkom.
We hebben een gezellige babbel, waarin ook andere dingen dan mijn ziekte aan bod komen. Gerda's vriend woont zowat 175 km bij haar vandaan en ze vertelt over het tijdsschema dat ze heeft opgesteld en dat ervoor moet zorgen dat ze vanmiddag tijdig samen met hem op een receptie verschijnt, morgen op tijd terug thuis is voor een bezoek van de loodgieter om daarna just in time naar de werkplek te sjezen.
Normaal gezien zou ik vandaag ook op bezoek gaan bij Leen en Freddy. Hun kindjes hebben vorige week af te rekenen gehad met een longontsteking en ik wil nu wel eens weten hoe het met ze gaat. In de namiddag belt Leen echter met de mededeling dat alle andere gezinsleden nu getroffen zijn door buikgriep en dat het misschien veiliger is om nu geen bezoek te brengen. Ik denk dat ze gelijk heeft en in de plaats van een bezoek kletsen we een half uur aan de telefoon.
Lees het vervolg
nancy.wauters@borstkanker.net
|