|
In de loop van de maand mei, begin ik me eindelijk weer beter te voelen en besluit ik om in juni weer aan het werk te gaan. In het begin is het wat zoeken, ik heb tenslotte drie maanden achterstand op wat mijn collega's allemaal gerealiseerd hebben. Knap werk, knap werk, zeker weten.
Naarmate de weken vorderen, begin ik weer greep op de situatie te krijgen en krijg ik het gevoel dat ik mijn plaats in de organisatie weer heb ingenomen, me onbewust van de volgende domper die er in sneltreinvaart weer aankomt.
Op 2 juli kom ik in het ziekenhuis voor een controle CT-scan van longen en bovenlichaam. Omdat ik me fysiek zo goed voel, ga ik erheen met een licht gevoel van euforie, toch onmiskenbaar steeds vergezeld van een portie angst dat ik me vergis en dat het toch niet zo goed zal zijn. Jammer genoeg wordt de euforie in één ruk weggeveegd als blijkt dat ik een verdikking heb op het longvlies.
Provera wordt hierdoor meteen fin de carrière gedeclameerd en ik ben uitgeprocedeerd wat hormoontherapie betreft. Gelukkig wordt dit feit niet gevolgd door een uitwijzingsbevel.
Volgens de traditionele geneeskunde is er nu maar één mogelijke opvolger, de door mij erg gevreesde chemotherapie. Ik word al misselijk als ik er nog maar aan denk.
De dokter zegt dat ik er niet onmiddellijk hoef aan te beginnen, maar ik zie het echt niet zitten om nog enkele weken te wachten, wetende dat het er toch van moet komen en dat terwijl er enkele boosdoeners binnenin aan het werk zijn, met als enige doel groeien en zich verspreiden en zo de andere normale cellen hun werk beletten te doen.
Dus beslis ik maar om er zo snel mogelijk aan te beginnen. Ik wil die dingen in mijn long een dreun verkopen waar ze niet goed van zullen zijn. De dreun die we zullen toedienen bestaat uit FEC (Fluorouracil, Epirubicine en Cyclofosfamide). De F en de C kreeg ik ook al eens te verteren tijdens mijn chemotherapie in 1998-99, dus de misselijkheid borrelt als het ware weer bij me op. De dokter zegt dat de anti-misselijkheid- en anti-braaktherapie op 12 jaar tijd enorm is verbeterd. Meent ze het of zegt ze het om me wat te kalmeren?
We zullen 16 juli en volgende moeten afwachten om dat te achterhalen.
Mijn moeder stelt de vraag waar ze al zolang mee zit en waarop ik zelf nooit het antwoord heb over mijn lippen gekregen: "Kan ons Nancy nog genezen?". Zoals gangbaar in de klassieke geneeskunde, is het antwoord "neen". Het verscheurt voor de tweede keer haar hart. In 1978 heeft ze mijn 9-jarige broer al verloren toen hij door een dronken chauffeur van de kant van de weg werd gereden. Hoe diep kan een moederhart gekwetst worden? 's Avonds vragen we het ons wanhopig samen af.
Het is de eerste keer sinds mijn uitzaaiingen werden vastgesteld, dat mijn moeder in mijn bijzijn begint te huilen. Ik zeg dat ik me niet zomaar gewonnen zal geven.
Als blijkt dat ook de chemo mij niet kan redden, zie ik voor mezelf nog andere opties, zoals: deelname aan studies van nieuwe medicijnen, aanvullende geneeskunde (zie o.m. het boek van: Dr. David Shervan-Schreiber: Anti-Kanker, 2008, ISBN 9021511002. Het zal een zaak zijn om te beseffen wanneer ik moet omschakelen. Op dit moment beperkt het strijdtoneel zich nog tot mijn longen, maar stel dat het zich uitbreidt?
Op 16 juli moet ik me om 07:15 uur aanmelden in het ziekenhuis. Eerst wordt er nog een poortcatheder geplaatst en in de namiddag zal de chemo worden toegediend. Ik krijg een wachtbedje toegewezen in een 2-persoonskamer, waar zich even later een ouder besje aandient die ook chemo moet krijgen.
Eerst zeggen we enkel goedemorgen, maar nadat ik me wat opener heb opgesteld blijk ik op één kamer te liggen met de "Kankerkrant" in hoogsteigen persoon.
Ze start een opsomming van mij totaal onbekende mensen die allemaal aan kanker zijn gestorven. Dit duurt tot ik haar uiteindelijk vraag om alsjeblieft te stoppen met praten over kanker en de dood. Ze belooft dat ze erover zal zwijgen en bij gebrek aan andere onderwerpen, komt het tot een plotselinge stilte, die mij niet onwelgekomen is.
Als ze me uiteindelijk komen halen voor de operatie is het 09:00 uur. De operatie duurt niet zo lang en tegen de middag lig ik alweer in het kamertje, waar mijn nog steeds zwijgzame kamergenote aan het lunchen is. Ik mag uiteraard nog niet eten, maar voel er ook niet de minste lust toe.
's Ochtends was ook de (nieuwe) medische oncologe als bij me langs geweest. Ze was zeer vriendelijk en luisterde gemeend naar wat ik te vertellen had. Toen ik haar vertelde over mijn vroegere ervaringen met CMF, beloofde ze me te voorzien van elk mogelijk wapen om dat ditmaal te voorkomen.
De medicatie die ik 's avond mee krijg, doet inderdaad een verbazend goede job. Ik loop vooral de eerste dagen rond met een zware baksteen op mijn maag (ik ben tenslotte een Belgische) en krijg bijna geen eten binnen, maar het kotsen blijft gelukkig achterwege.
Een nieuw probleem duikt op: ik kan nauwelijks slapen, word om 01:00 uur 's nacht alweer wakker en dan duurt het tot een uur of 5 en nieuwe slaapmedicatie vooraleer ik weer in slaap val, om dan om 08:00 uur weer wakker te worden. Ook overdag loop ik met een opgejaagd gevoel rond.
Een middagdutje zit er zeker niet in.
Blijkbaar moeten we de oorzaken hiervoor zoeken bij de cortisone. bij de tweede chemokuur wordt de dosis verlaagd, en dat maakt toch al een groot verschil.
Al bij al valt het toch veel beter mee dan bij mijn eerste chemokuren eind jaren 90.
nancy.wauters@borstkanker.net
|