U ligt toch in het ziekenhuis!

© Nancy Wauters


Wat voorafging ...

De MRI scan wordt uitgevoerd door alweer een vriendelijke verpleger, maar hij houdt de lippen stijf op elkaar als het over de resultaten gaat. Ik kan ook niets opmaken uit zijn lichaamstaal en ik doe bovendien niet eens heel erg mijn best. Ten eerste voel ik me erg moe en ten tweede zijn ze hier toch maar op zoek naar iets dat ze niet zullen vinden.

Ik word in mijn bed teruggereden naar mijn kamer waar mijn collega me zit op te wachten.
Hij is naar het hotel geweest om mijn bagage uit mijn kamer te halen. Het is ons intussen duidelijk dat ik hier niet direct zal mogen vertrekken en nu heb ik tenminste mijn spullen bij me. Ik mag me wel gelukkig prijzen dat ik niet helemaal alleen in Oslo ben.

Mijn collega zal me de volgende dagen als een goede huisvader onder zijn hoede nemen. Zo komt hij me elke dag na de cursus trouw een bezoekje brengen waaraan ik erg veel heb. Hij zorgt er ook voor dat ik een voorraadje snoep heb en voorziet me van sudoku boekjes die me overdag wat te doen geven als ik niet aan het sms-en of bellen ben.

De volgende ochtend krijg ik weer bezoek van de neuroloog. Hij heeft de MRI bekeken en komt me bevestigen dat er iets in mijn hersenen zit dat wellicht een uitzaaiing is van mijn vroegere borstkanker en dat ik daarvoor in België verder zal moeten worden behandeld.
Ik weet niet wat er met me aan de hand is, maar het nieuws glijdt echt van me af. Ik raak niet in paniek, ben niet bang, ga er nog steeds van uit dat het iets perfect goedaardig is en dat de Noren gek of op zijn minst matig gekwalificeerde medici zijn.

Aangezien ik voor het werk op reis ben, moet de repatriëring naar België worden geregeld door de verzekeraar van mijn werkgever. Mijn collega’s hebben erg hun best gedaan om de aangifte snel te doen en vanaf dinsdag zit ik dus te wachten op nieuws van de verzekering.

De mensen in België die tot dusver op de hoogte zijn van mijn situatie zijn mijn moeder, zus en haar vriend, beste vrienden en directe collega’s.
We beslissen dat mijn moeder de rest van de familie pas zal verwittigen als ik weet wanneer ik in België zal zijn. Het heeft geen zin om heel de familie ook nog eens in rep en roer te zetten, aangezien er toch niemand iets concreets kan doen.

Ook al zit ik hele dagen in afzondering in mijn kamertje, ik kan me toch heel goed bezig houden. Zoals gezegd trekken de verpleegkundigen hier af en toe tijd uit voor een praatje. Verder los ik sudoku’s op (of tracht dat in sommige gevallen te doen), lees mijn meegebrachte boek uit, krijg de hele dag door sms-jes vanuit België en ’s avonds sla ik een uitgebreid praatje met mijn bezoekende collega.
Ietwat onlogisch is wel dat hij zonder meer binnen en buiten mag, maar dat ik mijn kamer niet mag verlaten. Wel wordt hem op het hart gedrukt om zeker geen andere kamers binnen te gaan, dus zeker elke aandrang te weerstaan om zieke Noren te bezoeken, en altijd zijn handen te ontsmetten als hij mijn kamer verlaat.

Twee dagen verstrijken en donderdag hebben we nog steeds geen nieuws over de repatriëring en ik begin het wel een klein beetje op de zenuwen te krijgen. Normaal gezien was mijn terugvlucht gepland voor vrijdagnamiddag en het ziet er meer en meer naar uit dat ik hier tegen dan niet weg zal geraken.
Mijn collega’s bestoken de verzekeraar met telefoontjes. Blijkbaar zit het probleem in het vinden van een geschikte begeleider. Eerst heeft men geprobeerd een Belgische arts te vinden die me zou komen halen en terugbrengen naar Brussel, maar helaas bleken alle Belgische artsen op. Vervolgens werd dezelfde oefening gedaan met Noorse artsen maar ook daar was de voorraad uitgeput. Geen enkele arts wenst blijkbaar met mij een gratis reisje te maken.

De neurologen in het ziekenhuis waar ik ben opgenomen zijn bereid mijn collega te voorzien van uitleg en medicatie zodat we toch samen de voorziene terugvlucht kunnen nemen. Dit scenario is echter niet aanvaardbaar voor de verzekeringsmaatschappij en – achteraf bekeken – eigenlijk ook een te zware verantwoordelijkheid voor mijn collega die tenslotte ook niet medisch geschoold is.

Op donderdagavond bel ik eindelijk zelf naar de verzekering met de vraag hoe lang het nog gaat duren. “Maar mevrouw, u ligt toch in het ziekenhuis” is de doodleuke commentaar aan de andere kant van de lijn.
Als ik hem erop wijs dat het hier niet gaat om een gebroken been, maar dat ik misschien wel een kwaadaardige tumor in mijn hoofd heb zitten (ook al geloof ik het zelf niet, dat hoeft hij niet te weten), is het even stil aan de andere kant van de lijn. Blijkbaar is mijn correspondent zich inderdaad niet bewust van wat er misschien met me aan de hand is. Uiteindelijk belooft hij me dat ze er alles aan zullen doen om me zo snel mogelijk in België te krijgen.

En inderdaad, de volgende ochtend krijg ik bericht dat de verzekeringsmaatschappij heeft besloten dat ik met een verpleegkundige als begeleider mag terugkeren. Er zal een spoedverpleegkundige uit onze schone Vlaamse stede Brugge komen overvliegen om me in het ziekenhuis op te pikken en zaterdagmiddag zullen we samen terugvliegen naar Brussel waarna ik door een ambulance naar het ziekenhuis in mijn thuisstad zal worden gebracht.

Vrijdagavond komt mijn begeleidster aan in Oslo en ze vereert me meteen met een kort kennismakingsbezoekje. We vinden elkaar onmiddellijk aardig en ik denk dat we een aangename terugreis zullen hebben samen. De mogelijkheid van een herhaling van mijn epileptische aanval tijdens de reis, komt gewoon niet in me op. Alweer heeft dat onverklaarbaar gevoel van “mij overkomt niets” bezit van me genomen.

Zaterdagochtend krijg ik nog een laatste maal bezoek van de neuroloog. Ik krijg nu een officiële brief mee voor mijn behandelende artsen in België met een kopie voor mezelf en voor "to whom it may concern". Ook krijg ik een CD-ROM waarop de foto’s van de MRI zijn gebrand. De brief omschrijft duidelijk het probleem dat ik heb en gebruikt gevreesde termen als “malignant”, “infiltration” en “metastatic”.

Ik begin meer en meer te beseffen dat de Noren misschien helemaal niet gek zijn, maar ik eerder doof en blind en misschien wel verdoofd ben geweest en dat het tijd wordt om de realiteit onder ogen te zien.
Maar het is me toch nog iets te vroeg om dat besef ten volle toe te laten. Eerst wil ik naar huis met in mijn hoofd nog steeds de mogelijkheid dat ze de plank hier toch nog grandioos mis hebben geslagen.

Lees het vervolg

nancy.wauters@borstkanker.net