U ligt toch in het ziekenhuis!© Nancy Wauters |
|
| Wat voorafging ...
De MRI scan wordt uitgevoerd door alweer een vriendelijke verpleger, maar hij houdt de lippen stijf op elkaar als het over de resultaten gaat. Ik kan ook niets opmaken uit zijn lichaamstaal en ik doe bovendien niet eens heel erg mijn best. Ten eerste voel ik me erg moe en ten tweede zijn ze hier toch maar op zoek naar iets dat ze niet zullen vinden. Ik word in mijn bed teruggereden naar mijn kamer waar mijn collega me zit op te wachten.
Mijn collega zal me de volgende dagen als een goede huisvader onder zijn hoede nemen. Zo komt hij me elke dag na de cursus trouw een bezoekje brengen waaraan ik erg veel heb. Hij zorgt er ook voor dat ik een voorraadje snoep heb en voorziet me van sudoku boekjes die me overdag wat te doen geven als ik niet aan het sms-en of bellen ben. De volgende ochtend krijg ik weer bezoek van de neuroloog. Hij heeft de MRI bekeken en komt me bevestigen dat er iets in mijn hersenen zit dat wellicht een uitzaaiing is van mijn vroegere borstkanker en dat ik daarvoor in België verder zal moeten worden behandeld.
Aangezien ik voor het werk op reis ben, moet de repatriëring naar België worden geregeld door de verzekeraar van mijn werkgever. Mijn collega’s hebben erg hun best gedaan om de aangifte snel te doen en vanaf dinsdag zit ik dus te wachten op nieuws van de verzekering. De mensen in België die tot dusver op de hoogte zijn van mijn situatie zijn mijn moeder, zus en haar vriend, beste vrienden en directe collega’s.
Ook al zit ik hele dagen in afzondering in mijn kamertje, ik kan me toch heel goed bezig houden. Zoals gezegd trekken de verpleegkundigen hier af en toe tijd uit voor een praatje. Verder los ik sudoku’s op (of tracht dat in sommige gevallen te doen), lees mijn meegebrachte boek uit, krijg de hele dag door sms-jes vanuit België en ’s avonds sla ik een uitgebreid praatje met mijn bezoekende collega.
Twee dagen verstrijken en donderdag hebben we nog steeds geen nieuws over de repatriëring en ik begin het wel een klein beetje op de zenuwen te krijgen. Normaal gezien was mijn terugvlucht gepland voor vrijdagnamiddag en het ziet er meer en meer naar uit dat ik hier tegen dan niet weg zal geraken.
De neurologen in het ziekenhuis waar ik ben opgenomen zijn bereid mijn collega te voorzien van uitleg en medicatie zodat we toch samen de voorziene terugvlucht kunnen nemen. Dit scenario is echter niet aanvaardbaar voor de verzekeringsmaatschappij en – achteraf bekeken – eigenlijk ook een te zware verantwoordelijkheid voor mijn collega die tenslotte ook niet medisch geschoold is. Op donderdagavond bel ik eindelijk zelf naar de verzekering met de vraag hoe lang het nog gaat duren. “Maar mevrouw, u ligt toch in het ziekenhuis” is de doodleuke commentaar aan de andere kant van de lijn.
En inderdaad, de volgende ochtend krijg ik bericht dat de verzekeringsmaatschappij heeft besloten dat ik met een verpleegkundige als begeleider mag terugkeren. Er zal een spoedverpleegkundige uit onze schone Vlaamse stede Brugge komen overvliegen om me in het ziekenhuis op te pikken en zaterdagmiddag zullen we samen terugvliegen naar Brussel waarna ik door een ambulance naar het ziekenhuis in mijn thuisstad zal worden gebracht. Vrijdagavond komt mijn begeleidster aan in Oslo en ze vereert me meteen met een kort kennismakingsbezoekje. We vinden elkaar onmiddellijk aardig en ik denk dat we een aangename terugreis zullen hebben samen. De mogelijkheid van een herhaling van mijn epileptische aanval tijdens de reis, komt gewoon niet in me op. Alweer heeft dat onverklaarbaar gevoel van “mij overkomt niets” bezit van me genomen. Zaterdagochtend krijg ik nog een laatste maal bezoek van de neuroloog. Ik krijg nu een officiële brief mee voor mijn behandelende artsen in België met een kopie voor mezelf en voor "to whom it may concern". Ook krijg ik een CD-ROM waarop de foto’s van de MRI zijn gebrand. De brief omschrijft duidelijk het probleem dat ik heb en gebruikt gevreesde termen als “malignant”, “infiltration” en “metastatic”. Ik begin meer en meer te beseffen dat de Noren misschien helemaal niet gek zijn, maar ik eerder doof en blind en misschien wel verdoofd ben geweest en dat het tijd wordt om de realiteit onder ogen te zien.
|
|