|
Wat voorafging ...
Mijn moeder belt me op en ik vertel haar de diagnose. Ik krijg ook een telefoontje van mijn collega/vriendin Gerda en ook haar breng ik op de hoogte. Later zal ik aan beiden moeten vragen hoe ik het hen eigenlijk heb gezegd, want de gesprekken zijn volkomen uit mijn geheugen gewist. Ze zeggen me dat ik hen ook over de twee sneden heb gesproken en ze wisten allebei wat dat betekende.
Later krijg ik het bezoek van de assistent die de diagnose komt bevestigen. Hij zegt dat in mijn borst een klein kwaadaardig gezwel van 6 mm zat. Omwille van de kleine omvang van het gezwel hebben de chirurgen getwijfeld over wat te doen met de lymfeklieren.
Na overleg met een van de oncologen van het ziekenhuis, werd besloten om de lymfeklieren toch te verwijderen: de grens ligt op 5 mm. We moeten nu wachten op de resultaten van het onderzoek van de lymfeklieren, want het is veel te riskant om uitspraken te doen louter op basis van het uitzicht van de klieren.
Het wordt dus alweer gespannen wachten op de resultaten van een onderzoek.
Veel meer herinneringen aan deze dag heb ik niet meer, behalve dat in de loop van de avond een prachtig bloemstuk
wordt afgegeven afkomstig van mijn collega's, ondanks alles was dat een geweldige opkikker.
De volgende dag voel ik mij absoluut niet ziek van de operatie. Ik heb alleen veel pijn in en onder mijn rechterarm. Ik kan die arm ook nauwelijks opheffen en ben blij dat de assistent nog eens langskomt zodat ik hem kan vragen of dit normaal is. Het blijkt normaal te zijn en hij raadt mij aan om zo snel mogelijk te proberen de arm op te heffen. Ik ken mijn chirurg nog niet lang, maar ik mis hem wel. De assistent is zo jong en als hij iets uitlegt doet hij dat al mompelend, zodat ik hem maar moeilijk kan verstaan. Ik heb het gevoel dat de chirurg het mij allemaal veel duidelijker zou kunnen uitleggen, maar misschien is dit wel psychologisch: ik zie hem als mijn grote redder.
Leen moet ook vandaag werken en ze komt voor aan haar dagtaak begint langs om mij te helpen me te wassen.
Ik vind het geweldig vervelend dat ik dat momenteel zelf niet kan.
Ik heb heel veel moeite om het statuut van hulpeloze te aanvaarden. Toch ben ik blij dat het een goede vriendin is die de klus komt klaren, ik hoop maar dat de verpleegkundigen
van de afdeling geloven dat ik al gewassen ben en het werkje geen tweede maal wensen uit te voeren (gelukkig bleek die vrees achteraf ongegrond).
Tijdens de bezoekuren in de namiddag en 's avonds komen er geweldig veel mensen langs. Bij sommigen zie ik werkelijk dat ze het moeilijk hebben met wat me overkomt.
Als mijn kamer vol familieleden zit, arriveren er ook drie collega's. Bedeesd blijven ze in het deurgat staan kijken naar de patiënt in het bed.
Pas als de hele familie naar de gang verhuist, komen ze wat los en hebben we een best gezellige babbel. Ik begin zelfs over het werk, maar daar zijn ze het absoluut niet mee eens.
Bracht ik het gespreksonderwerp nu nog zelf op het werk, naarmate de dagen verstrijken zal ik het steeds moeilijker krijgen om aan het werk te denken.
Het computersysteem waarin ik de voorbije maanden tonnen tijd en energie heb geïnvesteerd, lijkt mij plotseling zo ver weg te zijn.
Een hele tijd kan ik maar aan één ding denken en dat is aan de lange-termijngevolgen van mijn ziekte. De eerste weken ben ik er werkelijk van overtuigd dat ik met deze ziekte niet lang meer te leven heb.
Ik krijg talloze verhalen te horen over mevrouw A die het tien jaar geleden heeft gehad, mevrouw B die het acht jaar geleden heeft gehad en er passeert zelfs iemand de revue die het meer dan 20 jaar geleden heeft gehad en stuk voor stuk zijn deze dames geheel en al hersteld en nu kerngezond. Iemand komt me zelfs vertellen dat mijn operatie in feite een routineklus is geworden.
Deze verhalen hebben echter absoluut niet het effect dat hun vertellers waarschijnlijk beogen. Ik voel me een overdrijver, een flauwe trezebees.
Het is alsof sommige van mijn bezoekers mij het recht willen ontzeggen om bang en ongerust te zijn. Ze willen mij zover krijgen dat ik mijn ziekte ga zien als iets wat eigenlijk niet veel om het lijf heeft en waar je tegenwoordig niet al te veel moet over zaniken.
Gelukkig zal latere lectuur mij leren dat zowel de reacties van de brengers van de blijde boodschap als die van mij volstrekt normaal zijn. Als je te horen krijgt dat je kanker hebt, heb je geen boodschap aan anderen die "zich nu zo goed voelen".
Jammer genoeg heb ik wel boodschap aan verhalen van mensen die het niet overleefd hebben: een dame die 5 jaar na haar diagnose genezen werd verklaard,
maar een paar jaar later toch herviel en het niet heeft overleefd, maakt wel indruk op me en ik vrees dat het mij ook zo zal vergaan.
Tijdens mijn 6 dagen in het ziek krijg ik elke morgen trouw bezoek van Leen, die me ook de tweede dag na de operatie komt helpen met de wasbeurt.
Ik kan het nu al voor een stuk zelf en ze kijkt er nauwlettend op toe dat ik geen enkel lichaamsdeel oversla en dat ik bovendien mijn rechterarm gebruik waar mogelijk.
Vrijdag 5 november is ook de dag van de botscan. Vandaag zal men dus nagaan of ik uitzaaiingen heb in de botten. In de loop van de voormiddag komt iemand mij inspuiten met een radioactieve stof.
De man draagt een klein stalen koffertje bij zich waarin zich de injectie bevindt. Het doet op zijn zachtst gezegd vreemd aan dat iemand met een stof rondloopt die blijkbaar voldoende gevaarlijk is om in een stalen koffertje te worden opgesloten,
maar dat die persoon vervolgens diezelfde stof doodleuk rechtstreeks in een van mijn aders spuit. De volgende vierentwintig uur moet ik elk contact met kleine kinderen en zwangere vrouwen vermijden.
Ik vraag of mijn twaalfjarige zus ook risico loopt. Ze mag op bezoek komen, maar ze blijft toch het beste op een veilige afstand. Om halftwee is ze er al. Ze heeft speciaal voor mij de bus genomen en net nu zit ik daar radioactief te wezen en moet ze ver weg gaan zitten.
Ongeveer een uur nadat ze is aangekomen, brengt een verpleegster mij naar de afdeling Radiologie. Ze denkt dat ik de lange wandeling nog niet zal aankunnen en ze rijdt mij er heen in een rolstoel. Onderweg zie ik een andere verpleegster aankomen die ik nog ken uit mijn jeugd. Ze werkt op de afdeling van Leen en ik weet van Leen dat ze weet dat ik borstkanker heb. Als we dicht genoeg genaderd zijn om elkaar te groeten, kijkt ze de andere kant op en ik voel dit aan als een slag in mijn gezicht. Ik vraag me af wat me te wachten staat als ik weer sociaal zal functioneren, als je zelfs van verpleegkundigen een dergelijke reactie krijgt.
De botscan lijkt wel één lange wachtsessie. Eerst is het wachten tot ik aan de beurt ben. De man die de scanner bedient, komt vragen of ik ben gaan plassen voor ik naar beneden kwam. Dat moet dus blijkbaar, maar de "schobbejakken van boven" (of iets dergelijks) hebben weer verzuimd mij daarvan op de hoogte te brengen. Ik ga dus naar het toilet en mag vervolgens op het smalle scannerbedje plaatsnemen. Een botscanner ziet er helemaal anders uit dan een MR-scanner. Er is een smal bedje en een soort boog met een vierkant blok die langzaam over je hele lichaam schuift. De man die de scanner bedient heeft een loopbaan als stand up comedian gemist. Hij legt mij uit dat het blok over mijn lichaam zal schuiven en zich daarbij steeds zal verstellen tot het zeer dicht bij elk lichaamsdeel is genaderd. Ter illustratie laat hij het blok zakken tot net boven het puntje van mijn neus. Hij zegt dat hij de hoogte geheel automatisch wordt geregeld en dat hij - zelfs indien hij me zou willen vermoorden - het blok niet lager zou kunnen krijgen.
Als ik goed en wel ben geïnstalleerd, vallen twee informaticatypes de onderzoekskamer binnen en zij komen de machine even gezellig bespreken met de aanwezige medici. In mijn normale beroepsbezigheden is het gesprek dat zich tussen deze mensen ontspint dagelijkse kost maar, terwijl ik op mijn bedje klaar lig, kan ik er slechts een diepe minachting voor voelen. Kan zo een overleg niet gehouden worden als er geen patiënt klaar ligt voor een onderzoek? Als ik na een tijdje verveeld begin rond te kijken, zet de machine zich plotseling in beweging en vlug leg ik mijn hoofd weer goed. Ik hoop maar dat deze beweging de foto's niet doet mislukken. De boog schuift verschrikkelijk langzaam over mijn lichaam en verandert daarbij geregeld van hoogte, naargelang de plaats waar hij zich bevindt.
Als de scanner klaar is met zijn werk mag ik weer naar mijn rolstoel, maar ik moet wachten tot men er zeker van is dat de foto's geslaagd zijn. Ook dit wachten lijkt wel enkele uren te duren. Het enige opwindende dat er gebeurt is de helse rit die een jonge verpleger met mij maakt om mij even uit de weg te zetten voor een passerend bed. Hij rent zo hard met me door de gang dat deze wel lijkt te draaien als mijn voertuig plots tot stilstand is gekomen. Eindelijk komt de scannerman zeggen dat de foto's gelukt zijn en dat ik weer naar boven mag. "Alles ziet er normaal uit" voegt hij er nog aan toe. Aan de geweldige opluchting die mij overspoelt merk ik pas hoe ongerust ik was.
Op mijn kamer blijkt mijn zus nog steeds de enige bezoeker. De mensen die later die dag komen, hebben het over hun ongeloof over de diagnose. Een ervan is even oud als ikzelf. Haar moeder vindt het verschrikkelijk.
Elke dag komen mijn ouders en zus langs. Mijn vader is zelf al een jaar longkankerpatiënt en heeft de laatste tijd heel veel rugpijn. Hij kan dan ook geen uren in de kliniek doorbrengen en brengt mijn moeder en zus in de namiddag en komt hen 's avonds ophalen. Mijn God, wat zijn we toch een stelletje sukkelaars: vier gezinsleden waarvan twee kankerpatiënten, ik moet toegeven dat ik medelijden heb met onszelf.
Op zondag 8 november voel ik me 's ochtends helemaal niet lekker. Als ik in de badkamer ben, word ik geweldig draaierig. Als een verpleegster mijn hartslag komt opnemen, blijkt die 100 te zijn. Dit komt wel vaker voor beweert ze.
Die ochtend komen er drie dokters langs in gespreide slagorde. De eerste heb ik wel eens eerder gezien, maar ik weet niet hoe hij heet. Hij zet zich naast mijn bed en zegt dat ik vandaag naar huis mag. Ik weet niet dat er nog doktersvisite op komst is en ik vraag hem of ik nog een dag kan blijven: ik voel me absoluut niet lekker. Hij zegt dat hij zal overleggen met zijn collega's, maar hij denkt wel dat het tot de mogelijkheden behoort.
De volgende bezoeker is de assistent. Ook hij wil me naar huis sturen en ik vraag ook hem of ik het nog een dagje mag aanzien.
Later in de voormiddag krijg ik bezoek van de chirurg. Het is alsof God zelve mijn kamer betreedt. "Dokter, wat ben ik blij u te zien!" kan ik niet nalaten te zeggen. Het is onvoorstelbaar hoe ik mij in die eerste dagen heb opgetrokken aan het geloof in deze arts.
We bespreken de diagnose. Hij vertelt in grote lijnen hetzelfde verhaal als zijn assistent na de operatie en licht mij ook in over het classificatiesysteem van kankers.
Een kanker wordt gerangschikt volgens een TNM-systeem:
- de "T" staat voor tumor en duidt de grootte aan van het gezwel;
- de "N" staat voor node en staat voor de aantasting van de lymfeknopen (lymphatic nodes in het Engels);
- de "M" staat voor metastases of uitzaaiingen (metastasis in het Engels).
In mijn geval weten we al dat de "T" de waarde 1 krijgt en de "M" de waarde 0. Wat we nog niet weten is of er al uitzaaiing is naar de lymfeklieren. Als de TNM-waarden bekend zijn, zal de kanker worden ingedeeld in een bepaald stadium, ook dat is dus nog onbekend.
De vervolgtherapie is ook nog onzeker. Als de lymfeklieren schoon zijn, krijg ik alleen radiotherapie. Zijn de lymfeklieren aangetast, dan wordt het een combinatie van radio- en chemotherapie.
De dokter toont mij een oefening om mijn arm weer aan de praat te krijgen. Ik moet met beide handen als een spin een muur opkruipen en zo hoog mogelijk proberen te geraken. De dokter doet het mij even voor, bij hem lukt het allemaal aardig.
Ik heb nog helemaal niet het gevoel dat we zijn uitgepraat als de telefoon gaat, maar de dokter vindt blijkbaar van wel. Hij neemt afscheid en ik neem een beetje boos de telefoon op. Het is Leen, bekommerd als altijd en ik heb onmiddellijk spijt van mijn boosheid.
Lees het vervolg
nancy.wauters@borstkanker.net
|