De Noren zijn niet gek

© Nancy Wauters


Wat voorafging ...

We vertrekken ‘s middags op de luchthaven van Oslo. Als gerepatrieerde kan je aanspraak maken op een speciale behandeling. We krijgen een plaatsje op de allereerste rij en worden door de crew van Brussels Airlines extra in de watten gelegd.
In de lucht vertellen mijn begeleidster Annemie en ik elkaar ons levensverhaal en voor we het weten wordt de daling ingezet.

Als we zijn geland en de gate uitkomen, staat er warempel iemand met een rolstoel voor me klaar. Ik zeg dat ik me wel goed genoeg voel om zelf de wandeling te maken, maar de rolstoelbestuurster kijkt me verbouwereerd aan. Als patiënt hoor je een comfortabel ritje per stoel blijkbaar niet zomaar af te slaan. En omdat de gangen op de Brusselse luchthaven inderdaad wel eindeloos lang kunnen zijn, zie ik mijn vergissing snel in, stap in en laat me rijden.

We worden naar de uitgang gebracht – al moet Annemie het allemaal zelf te voet doen – waar ik netjes word afgezet in afwachting van de ambulance. Er is evenwel nog geen ambulance in zicht en we besluiten het een half uurtje te geven en dan een taxi te nemen. Er kan geen sprake van zijn dat ik gewoon mijn op de parking geparkeerde auto neem en zelf naar het ziekenhuis rijd, dat besef ik natuurlijk ook wel.

Maar we hoeven uiteindelijk geen taxi te nemen, want na een kwartiertje meldt de ambulance zich en vertrekken we richting Aalst. In Aalst staat het ziekenhuis waar ik in 1998 werd gediagnosticeerd met borstkanker, werd behandeld en sindsdien onder controle ben. Hier werken artsen waar ik toch wel veel vertrouwen in heb, maar waarvan ik hoopte hen nooit meer op deze manier nodig te hebben.

De ambulance rijdt het ziekenhuis binnen langs de spoedafdeling. Dat is blijkbaar de normale procedure. In de wachtzaal zitten mijn moeder, zus en twee van mijn beste vriendinnen me met bloemen op te wachten. We omhelzen, kussen, snikken nu we elkaar eindelijk kunnen zien, vastpakken en troosten zonder dat er een telefoonlijn in de weg zit.

Nadat er nog wat formaliteiten zijn afgewerkt, kan ik naar de afdeling Oncologie. Daar is zelfs al een kamer voor me klaargemaakt. Verdorie, op deze afdeling wou ik nooit meer liggen. De verpleegkundigen die ik eerst te zien krijg zijn oude bekenden, ze werkten negen jaar geleden ook al op deze afdeling en ze herkennen me nog als “Nancy van de website”.
Ik geef hen de brief uit Oslo samen met de CD-ROM en installeer me in de kamer.

Ik ben blij dat ik mijn familie en vrienden nu eindelijk bij me heb. De hele namiddag is het een komen en gaan, de kamer zit constant vol mensen. Tegen 's avonds moet elke bloemenwinkelier in de buurt van het ziekenhuis wel een centje aan mij verdiend hebben. Iedereen is bang maar we hopen toch ook nog allemaal op een positieve wending.

’s Avonds krijg ik nog onverwacht bezoek van mijn behandelende oncoloog. Ik ben heel erg blij met dit bezoek, eindelijk zie ik “mijn eigen” dokter waarvan ik weet dat ze van wanten weet en aan wiens medische capaciteiten ik niet hoef te twijfelen. Ik vertel haar over de brief en de CD-ROM en ze gaat onmiddellijk naar de medische wachtpost om de beelden te bekijken.
Als ze weer de kamer binnenkomt, zie ik het onmiddellijk. Ze komt met de bevestiging van de Noorse diagnose. De beelden blijken van zeer goede kwaliteit te zijn en leiden slechts naar één mogelijke conclusie: ik heb met een uitzaaiing in mijn hersenen te maken.
Dit is natuurlijk het slechtste nieuws dat ik kon krijgen, maar toch zijn er enkele positieve zaken te noteren: de tumor bevindt zich helemaal aan de rand in mijn hoofd ter hoogte van mijn rechteroor en kan dus chirurgisch worden verwijderd en bovendien is er maar één tumor vastgesteld. Dat betekent dat we over een behandelbare situatie spreken en dat is dus het goede nieuws, al heb ik het nog even lastig om het goede ervan in te zien.

Daarna ontpopt mijn dokter zich weer tot haar eigen efficiënte zelf. Ze zal maandag contact opnemen met één van de neurochirurgen van het ziekenhuis en aandringen op een snelle ingreep.
En dan schrijft ze me nog een hele reeks onderzoeken voor.
Zondag een bloedonderzoek. Maandag een mammografie, röntgenonderzoek van de longen en echo van de lever. En dinsdag een botscan.

Ik lig in mijn bed, kan er dus niet doorzakken maar ik heb wel het gevoel dat ik door de grond zak.
Want voor het eerst sinds dit allemaal begon, komt me een zinnetje uit de website voor de geest Als iemand uitzaaiingen ontwikkelt, blijven deze meestal niet beperkt tot één orgaan, maar duiken er verschillende uitzaaiingen op in verschillende organen.

Neen, dit KAN niet en dit MAG niet. Ik heb er nog geen ogenblik aan gedacht dat het misschien niet bij die ene uitzaaiing in mijn hersenen zal blijven. De dreun van de Noorse neuroloog wordt me nu opnieuw toegediend door mijn eigen oncoloog.

Ik vraag haar hoe groot ze de kans acht dat ik ook in andere organen uitzaaiingen zal hebben. Het correcte maar ondraaglijke antwoord “ik weet het niet” zal ik de komende dagen nog vaker te horen krijgen.

Lees het vervolg

nancy.wauters@borstkanker.net